Antwerpen, Kerken en Toerisme
Toerismepastoraal, Bisdom Antwerpen (TOPA vzw)

De Antwerpse Sint-Andrieskerk, een openbaring.

Het koor en het hoogkoor

Glasramen: geloof, hoop en liefde

De drie glasramen in het hoogkoor (Jan Huet, 1964–1965) vertonen meer samenhang dan op het eerste gezicht lijkt. Bovenaan prijken twee personificaties: het Geloof (met kruis) aan de noordkant, de Hoop (met anker) aan de zuidkant. Het centrale apsisraam is dicht gemetseld. Waar staat dan de voornaamste van de drie goddelijke deugden? De Liefde bevindt zich het dichtst bij het altaar en bij de begane grond, in het grote glasraam aan de zuidkant, boven de gang naar de sacristie. Jezus’ parabel De Barmhartige Samaritaan (Lc. 10:29–37) is door de glazenier kleurrijk verhaald. Leviet en priester lopen in een wijde boog om de gewonde, nochtans een volksgenoot, heen en draaien zich nieuwsgierig om. Ze merken hoe de derde voorbijganger, een Samaritaan nog wel, het slachtoffer verzorgt en ondersteunt op weg naar de herberg. Als dit geen schitterende illustratie van de naastenliefde is!

Doopvont

De huidige doopvont is het wijwatervat uit een voormalige kloosterkerk, waarschijnlijk van de geschoeide karmelieten, alias de onzelievevrouwebroeders, aan de Meir. Sinds haar komst naar de Sint-Andrieskerk in 1806 stond ze in de doopkapel, achteraan aan de zuidkant. In deze vont krijgen onder meer Hendrik Conscience (1812) en Lode Zielens (1901) het doopwater over zich heen. In de jaren 1880 wordt hier aan gemiddeld meer dan duizend borelingen per jaar het heilig doopsel toegediend, 2,5 % van het inwoneraantal! Sinds de restauratie van de kerk in de jaren 1970–1975 staat de vont opgesteld in het koor, conform het Tweede Vaticaans Concilie (1962–1965), dat het accent legt op de gemeenschap waarin de dopeling in treedt.

De aanbidding der Wijzen

De aanbidding der Wijzen, Hendrick van Balen

Dit schilderij wordt toegeschreven aan Rubens’ tijdgenoot Hendrick van Balen (1573–1632). Let erop hoe levensecht het kindje Jezus wenst te spelen met wat blinkt en klinkt: het kale hoofd van de oudste wijze die als eerste binnentreedt en neerknielt. De valkenier uiterst links illustreert het eeuwenoude koninklijke privilegie van de valkerij, hier toegepast op ‘de drie koningen’. In de barokke traditie kijkt hij, staande tegen de lijst, samen met een van de kindpages naar de toeschouwer om hem in het tafereel te betrekken. Maria is symbolisch gekleed: als vrouw van vlees en bloed in het rood, als uitverkorene met hemelse genade in het blauw (die door de vernis eerder groen uitslaat).

De engelbewaarder

De Engelbewaarder – kopergravure, getekend door Van Looijbos naar het schilderij van Erasmus II Quellinus, 1667

Dit bovenaan afgeronde doek (Erasmus II Quellinus, 1667) sierde het portiek altaar van de Broederschap van de Heilige Engel bewaarders in de zuiddwarsbeuk, die in 1830 door de kerkfabriek is gesloopt. Een ontwerptekening wordt bewaard in Dresden. In het midden hurkt een bange jongeling, verwikkeld in een morele tweestrijd. Zijn deugdzaamheid wordt aan de ene kant belaagd door het listige Kwaad met zijn vele gezichten, weergegeven door een demon met vleermuis vleugels die op het punt staat een slang op zijn slachtoffer te werpen. De erotische Wellust (Luxuria), een prettige vrouw gekleed in het rood en met ontblote schouder, grijpt de jongeman bij de arm, gesteund door een gevleugelde Amor die gereedstaat om een pijl af te schieten. Op de voorgrond representeert een elegante in zilverblauw geklede Vrouwe Fortuin, gezeten op een geldkist, drie bekoringen tegelijk: verleidelijk biedt ze de jongeman de lauwerkroon van de roem en een gouden koningskroon van de macht aan, terwijl ze met de scepter de rijkdom aanwijst in de twee zakken met goud stukken naast zich. Een bijzonder verleidelijk trio dat ook Jezus in de woestijn tevergeefs probeerde te bekoren (Mt. 4:1–11).

Aan de andere zijde, iconografisch rechts, komt een engel-‘bewaarder’, gewapend met bliksemvuur, met zijn schild de jongeman beschermen tegen de vijanden van zijn ziel en zaligheid. De engel treedt op namens God, wiens identiteit door het Hebreeuwse tetragram op het schild weergegeven wordt. Bovendien weet de engel zich daadwerkelijk gesterkt door Gods genade, te zien aan de straal van hemels licht die op zijn schild valt.

Het (nauwelijks nog herkenbare) gapende monster links onderaan beeldt de ingang uit van de hel, waarheen de duivelse bekoringen de jongeman willen drijven. Dankzij de hemelse bijstand, alias de engelbewaarder, zal het snode offensief van de wereldse ondeugden mislukken. Van dit tafereel bestaat een gravure met een beperkte oplage, bedoeld als gedachtenisprent voor twee voorname leden van de Broederschap.