Antwerpen, Kerken en Toerisme
Toerismepastoraal, Bisdom Antwerpen (TOPA vzw)

De Onze-Lieve-Vrouwetoren van Antwerpen

Beiaardklanken

Ter verantwoording

Het is niet omdat je als kok de roerlepel goed in de hand hebt, dat je het beste kookboek kan schrijven, of de geschiedenis van het ‘aan tafel gaan’. Maar als een kok kan koken, speuren en schrijven, dan wordt het een bestseller. Zo’n standaardwerk over de Antwerpse stadsbeiaard hebben we te danken aan voormalig beiaardier Jo Haazen, die doorheen de gedrevenheid waarmee hij ‘zijn’ arsenaal wist te beroeren, ons niet enkel vele aangename herinneringen maar ook een lovenswaardige monografie over Antwerpens beiaard heeft nagelaten: Rond de zingende toren, Antwerpen, 1979, waar we dan ook graag – citerend – gebruik van maken. Verder hebben we geput uit de programmaboekjes van de zomerse beiaardconcerten en talloze artikelen in gespecialiseerde magazines en dagdagelijkse kranten.

Inleiding

Zonder de Onze-Lieve-Vrouwetoren, geen vrolijke beiaardklanken in Antwerpen. De geschiedenis van het beiaardspel hangt dan ook nauw samen met de geschiedenis van de toren. Want de bron van zijn klanken behoeft nu eenmaal torenhoog, ja hemelhoog te zijn – bijgevolg eertijds verheven boven de drukte en de rust van het samen leven in de huizen, in de straten en op de marktpleinen. “De beiaardier strooide zijn klanken kwistig in het rond en iedereen kon delen in het wel en wee dat door hem werd bezongen” (Jo Haazen, p. 25). Gedurende een groot deel van dat gezamenlijk verleden met de toren was de beiaard de muzikale “alleenheerser” in de stad. Nog steeds dartelen zijn noten elk huis in via de open ramen, vullen de pleinen en ketsen af op de daken om de stad te hullen in een zorgeloze melodie. Maar in tijden van niet-gemotoriseerd verkeer kon je die beiaardklanken als het ware inhaleren mét de zuurstof die men in- en uitademde. Aanvankelijk waren enkel menselijke geluiden als schreien en schreeuwen, dierlijk gekakel, geknor, geblaf, knetterend vuur en mokerslagen, de mechanische geluiden van waterpompen en weefgetouwen stoorzender. Echt muzikale concurrentie was te vinden in het neuriën en het zingen, en het gekwetter van de luistervink in het kooitje boven de keukentafel. Nu zijn de bronzen klok-klanken enkel detecteerbaar in een mengsel van brommende en ronkende decibels, zo ze tenminste de geluidsmuur van storende straatgeluiden en isolerende oortjes van ipods weten te doorbreken.

Geschiedenis van het beiaardspel

Het gebruik om op de kerktorens de uurslag te laten voorafgaan door enkele klokketonen (‘voorslagen’), zette al van in de 14de eeuw aan tot extra melodietjes ter opvrolijking van de aardse toegemeten tijd, wat leidde tot uitbreiding van het aantal klokken.

Reeds in 1415 is er in Antwerpen sprake van twee “beyeraers”. Alleen betekende dit ‘beieren’ tot ver in de 15de eeuw op een vrij primitieve wijze met handen en voeten aan allerhande kabels trekken en mogelijk met hamers op de klokken slaan.

In 1478 laat Antwerpen in de kronieken van zich horen met de uitdrukkelijke vermelding van klokkenspel. Een norbertijn van de Sint-Michielsabdij maakt melding van gebeier anno 1478 (1479 volgens de andere stijl), waarschijnlijk op de vooravond van 2 februari, feest van O.-L.-Vrouw-Lichtmis, naar aanleiding van de stichting van de Gilde van Onze-Lieve-Vrouw-Lof en de inhuldiging van haar kapel :

“Anno 1478, den 1 februarij, op eenen Vrijdagh, is tot Antwerpen in de nieuwe kapelle van Onze Lieve Vrouwe in de voors. kercke aldereerst begonst te singen Onze Lieve Vrouwenlof ende op de orgelen te spelen, oock met de clocken aldereerst te spelen oft te bijarden…”

Vermits de nieuwe klokkenkamer van de gotische noordertoren dan waarschijnlijk nog net niet voltooid is, is de kans zeer reëel dat deze melding betrekking heeft op de oude (deels? gotische?) klokkentoren van de Romaanse kerk, op dat moment gelegen vlak achter het gloednieuwe Mariakoor op het einde van de uiterste noordbeuk; d.i. in de buurt van de huidige noorderdwarsbeuk.

Toevallig komt in datzelfde jaar 1478 ook Duinkerken in het nieuws met erg geapprecieerde klokkenmuziek: “alle maniere van ghestelde liedekins, ende alle hymnen, ende sequencien, Kyrieleyson, ende alle kerckelicke sanghen. Twelcke men daer te voren noeyt ghehoort en hadden, ende was een grote nyeuwigheyt, ter eeren van Gode”. De beiaardier is er met name gekend: Jan van Bevere (Jo Haazen, p. 45).

Maar noch over het klokkenspel in Duinkerken, noch over dat van Antwerpen is het geweten op welke manier precies deze geactiveerd werden: door middel van losse hamers, door te trekken aan klepels of door een primitief stokkenklavier. Alleen moeten we toegeven dat de vermelding in Antwerpen nog veel ruimte tot speculatie over laat over het geboden programma en kwaliteit, terwijl in Duinkerken het niveau van de gevarieerde klokkenmuziek zonder meer hoogstaand en lovenswaardig is en wat wel eens de kans vergroot dat daar het gebruik van een klavier voor iets tussen zit. Het zal de befaamde Antwerpse stadsbeiaardier Jo Haazen (1979, p. 46) niet weerhouden om te poneren dat “beide steden kunnen dan ook beschouwd worden als de bakermat van de beiaardcultuur”.

Tegen 1480 geraakt de vierde torengeleding van de noordertoren voltooid, waarmee hij voorgoed uitsteekt boven zijn ‘kleine broer’, de zuidertoren. De galmgaten van die vierde geleding geven de klokkenkamer aan, waar allereerst de luidklokken in huizen. Eens de nieuwe gotische klokkentoren voltooid, kan men vanaf 1482 beginnen met de sloop van het laatste restant van de romaanse Onze-Lieve-Vrouwekerk: de oude (deels? gotische?) noordertoren, tot dan toe het belfort van Antwerpen (in de buurt van de huidige noorderdwarsbeuk). Als vanzelfsprekend worden eerst de luiklokken overgebracht naar de nieuwe klokkenkamer van de gotische noordertoren. Tot die kerkklokken horen o.m. het onafscheidelijk duo Gabriel en Maria (beide uit 1459; → Klokken). Ook de stadsklokken, waaronder de alarmklok Orida (1316; → Klokken), verhuizen vermits de noordertoren al van meet af aan als belfort voorbestemd was en dus nu die functie van de oude toren van de Romaanse kerk overneemt. Op het einde van de 15de eeuw hangen er in de nieuwe klokkenkamer 12 tot 15 luiklokken. De nieuwe ruime klokkenkamer van de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekerk beschikt ca. 1480 over voldoende speelruimte om er nog een reeks klokken in onder te brengen waarmee men ook kon “beyaerden”. Antwerpen zou weldra nieuwe roem en faam verwerven door de muzikaliteit en helderheid van zijn beiaard.

Een rijmkroniek die 1482 als jaartal opgeeft, gaat nu in op de speeltechniek,
“… En in tselve jaer begonst men te spelen op de clocken
t’Antwerpen aldaer doende trecken die seel met stocken”.

Deze specifieke vermelding geeft aan dat het althans voor Antwerpen om een nieuwigheid gaat, nl. met behulp van stokken aan touwen trekken die aan het andere uiteinde verbonden zijn aan een klepel die dan tegen de klokkenwand wordt aangetrokken.

“Wellicht is dit de oudste vermelding van een beiaardklavier, hoe primitief ook”, aldus Jo Haazen (1979, p. 46), en, zo gaat de befaamde Antwerpse stadsbeiaardier verder: “Het jaar 1481 wordt in de muziekgeschiedenis dan ook beschouwd als het geboortejaar van de beiaardkunst” (Jo Haazen, p. 77).

Ook al zijn de kronijken niet eenduidig over het exacte aanvangsjaar, het is in de jaren 1480-1482 dat in Antwerpen voor het eerst van heus klokkenspel sprake is. Zo leest men anno 1481 “Dit jaer begost men t’Antwerpen op de clock te speelen alderhande liekens en choorsanck; het was eenen sot van Aelst die dat eerst begost, die men daertoe huerde”. Een andere bron situeert dit dan weer een jaar vroeger, 1480: ‘het beyaerden men tantwerpen eerst vernam – dwelck door eenen sot van aelst eerst op quam’. Wie precies deze ‘zot van Aelst’ was, is tot nu toe niet achterhaald.

Deze oudste beiaard van Antwerpen hoorde niet tot de stad, maar tot de kerk, meer bepaald het Onze-Lieve-Vrouwekapittel. De eerste kerkbeiaardier in vaste dienst, vermoedelijk een monnik, genaamd Eliseus, waar evenmin veel over geweten is.

Tot vandaag blijven onze contreien bekend om de kwaliteit van hun beiaards en hun beiaardiers, en we zouden dan ook terecht Vlaanderen kunnen aanmerken als het geboorteland van de carillon-traditie.

Lang nadat de torenachthoek in 1507 is voltooid, gaat ook de stad daar haar eigen beiaard met aparte klavierkamer installeren. Sindsdien spreekt men van de kerk- of kapittelbeiaad én van de stadbeiaard, een onderscheid dat pas uitsterft einde 19de eeuw nadat de kerkbeiaard voor het laatst in 1889 weerklinkt.

Wanneer iIn 1540 besloten wordt om een stadsbeiaardier aan te stellen, ontstaat ook de traditie om het ambt van kerkbeiaardier en stadsbeiaardier te versmelten in een zelfde persoon. De eerste die zo benoemd wordt dat jaar, is Samson van Solbrecht, die het dubbel ambt bekleedt tot 1560. Een honderd jaar later zal deze dubbele rol nochtans voor zware juridische problemen zorgen: het kapittel, de Kerkfabriek en de stad zullen verwikkeld geraken in een procedureslag voor de Raad van Brabant die maar liefst 5 jaar zou aanslepen, met als inzet wie van de partijen het recht bezit om de stadsbeiaardier en de kerkbeiaardier te benoemen.

Gelukkig verloopt het merendeel van de beiaardgeschiedenis zonder al te veel strubbelingen. De beiaardiers volgen elkaar in traag tempo op, daar de meeste onder hen het ambt verschillende decennia zullen uitoefenen, waarbij ze soms uitgroeien tot personaliteiten van de stad, die, ook al zitten ze voornamelijk hoog in hun toren onttrokken aan het oog, toch zichtbare, bekende burgers worden.

Hoe uniek of wonderlijk het mag heten dat de beiaarden op de Onze-Lieve-Vrouwetoren door het Frans Revolutionair Bewind gespaard zijn gebleven, dient nog onderzocht te worden. De overige Antwerpse beiaarden van de Sint-Michielsabdij en van de Sint-Jacobskerk werden immers in de jaren 1797-’79 radicaal definitief het zwijgen opgelegd: ze werden verbrijzeld.

Voor de heringebruikneming van de voormalige kathedraal als kerk in 1802 had de kerkfabriek wel eerst een en ander te herstellen, te beginnen met de kerkvloer en het altaar, en de klokken. Ter gelegenheid van het bezoek van de aartsbisschop van Mechelen in 1802 speelden ze voor het eerst terug.

In de 19de eeuw geraakt de kerkbeiaard in onbruik en ook al functioneert dan een van beide niet meer, met de beide klokkenspelen telt de Onze-Lieve-Vrouwetoren in 1912 liefst een totaal van 87 klokken: een unicum! Na Wereldoorlog II worden haast alle klokken van de kerkbeiaard uitgeleend aan de herstelde Sint-Catharinakerk van Hoogstraten.

Klik op een van de foto’s om verder te gaan.

De Beiaard
Beiaardiers
beiaardmuziek
Beiaardconcerten