Antwerpen, Kerken en Toerisme
Toerismepastoraal, Bisdom Antwerpen (TOPA vzw)

De Onze-Lieve-Vrouwetoren van Antwerpen

De toren in Literatuur en Muziek

De OLV-toren vanop Linkeroever
De OLV-toren vanop de Suikerrui
De OLV-toren vanuit de Pelgrimstraat

Enkele passages van schrijvers die de toren in beeld brengen …

DE TOREN IN DE POEZIE

Beschryvinge van den Toren van de Cathedrale Kerke binnen Antwerpen, Antwerpen, 1723; vaak vermeld als: ‘De stad zal zijn vermaerd, zoolang den toren staet’

Konst-rijke lieve stad, van duyzend’ uyt-verkoren!
In all’ dat ik bezit is zoo niet eenen Toren:
Die binnen Straetsborg(1) is, die is zo konstig niet,
‘Schoon hij omtrent zoo hoog, of weinig hooger schiet,

Daer zou Europa door al meer sijn van gesproken,
Waer ‘t dat dit konstjuweel was met een kas beloken;(2)
En dat van alle kant’ de toegeloope Liên
Maar eenen keer op ‘t Jaer den Toren konden zien.

En had ik geene vrees te maeken groote schulden,
Of was het in mijn macht ik liet hem ‘heel vergulden.(3)
En nog zou ‘t wijnig zijn, en ‘t goud te slechte stof,
De konst verdient al meer, en eyscht nog meerder lof.

Antwerpen, wat ‘er komt, wilt dit juweel bewaeren,
Wiens bouwen heeft geduert vier min als honderd jaeren(4)
Laet vallen al wat wilt en agt het voor geen kwaed,
De stad zal zijn vermaerd, zoolang den toren staet.

Konst-rijke lieve stad, van duyzend’ uyt-verkoren !
In all’ dat ik bezit is zoo niet eenen toren:
Die binnen de straettsborg is, die is zoo konsti niet,
‘schoon hij omtrent zoo hoog, of weinig hooger schiet,

daer zou Europa door al meer sijn van gesproken.
Waer ’t dat dit konst-juweel was met een kas beloken,
En dat van alle kant’ de toegeloppe Lien.
Maer eenen keer op ’t jaer den toren konden zien.

En had ik geene vrees te maeken groote schulden,
of was het in mijn macht ik liet hem heel vergulden.
En nog zou het te weinig zijn, en ’t goud te slechte stof,
de komst verdient al meer, en eyscht nog meeerder lof.

Antwerpen, wat er komt, wilt dit juweel bewaren,
wiens bouwen heeft geduert vier min als honder jaeren,
laet vallen al wat wilt en agt het voor geen kwaad,
de stad zal zijn vermaerd, zoolang den tooren staet.

(1)(Straatsburg)
(2)(stolp erover, cf. legende Keizer Karel V
(3)(geheel vergulden: cf. legende Keizer Karel V)
(4)(= 96 jaar: 1422-1518, niet: 1425 – 1521)

Bron: Jozef VAN BRABANT, Rampspoed en restauratie, 1974, p. .

Doorluchte toren, dat uw hemelvaart,
Beethovense muziek ter spits gedreven,
uit zwaar geweld opbromt en in haar streven
naar hogen, fijner straal op stralen baart,

is ’t niet het kenmerk van den Vlaamsche aard:
ten grondslag breed, vol overdadig leven,
doch plots verfijend om naar ’t licht e zweven,
waarin de ziel in ruimten openklaart?

Zoo hebben veel geslachten u bewonderd,
geluisterd naar uw lied dat stormt en dondert
of klankenkralen regent uit uw brons.

O, Toren, heldenzanger, wij sinjoren,
wij meenen in uw stem ons hart te hooren,
dat juicht: ‘Wij zijn van u, gij zijt van ons !’

Gedicht ter gelegenheid van de ontmanteling van de stellingen n.a.v. de Wereldtentoonstelling Brussel, 1958; getoonzet door kanunnik G. STRIELS, kapelmeester van de kathedraal.

Toren,
nu gij zijt herboren,
van uw banden weer bevrijd,
laat uw jubelklokken horen
in de stad van de Sinjoren,
toren die ons hart verblijdt!

Toren,
laat uw boodschap horen,
onbewimpeld zij ’t vertoog:
“Mensenkind, gij werd verkoren
om tot ’t Godsrijk te behoren!”
Wijs de wereld naar omhoog.

Toren,
sierlijk als tevoren
rijst gij aan de Scheldevloed
blijf steeds naar de hemel boren,
met de stad van de Sinjoren
vroom en werkzaam aan uw voet !

Spot niet: “Antwerpen Vlaanderens vuilse stad!” Ga dankbaar op haar schoonheid prat. Stap tussen steen en kathedraal. Bewonder “Antwerpen-Centraal!”
Keer weer naar het Conscience-plein. Dweep mee met Rubens en Plantijn. Hef met Jordaens het Koningsglas! Geloof in het sinjorenras!
Groet Brabo midden een fontein. Weet goedgeluimd sinjoor te zijn. Staak uw verzuurd krakelen. Hoor fier de beiaard spelen!

De zon is een Antwerpse planeet. De aarde houdt op bij de Schelde. Cyclonen gaan liggen op de groenplaats. Van alle machtige steden die vallen, valt Antwerpen het laatst, tot op het laatst autochtoon.

Een dagje uit. De zoo en het zuid. Dampen van friet en worst. Het café deint als een kajuit. Het café sterft van de dorst. Psalmen, klinkgeluiden, een levenslied. Men kan het toosten niet laten op andermans verdriet.

De kathedraal staat klaar als een raket voor arduin vol gotische instrumenten, stalactieten, tinnen, nissen, vol heilige gebeurtenissen. Klaar? Tel af. Nu. In het azuur! Wij lezen in de schaduw van de kathedraal onze krant over ons aards lief en leed en eten de meest radioactieve kroket van de planeet.