Antwerpen, Kerken en Toerisme
Toerismepastoraal, Bisdom Antwerpen (TOPA vzw)

Op reis in eigen stad

Een dagje ÖSTERREICH in Antwerpen

TITESint‑Carolus‑BorromeuskerkL

Hendrik Conscienceplein

Hier in de Mariakapel staan we voor De tenhemelopneming van Maria: een ‘Rubens’, althans op het eerste gezicht. De aandachtige toeschouwer merkt een zekere gekunstelde bewogenheid op want – inderdaad – het betreft slechts een kopie. Het origineel werd in 1776 door keizerin Maria-Theresia voor 14.000 florijnen gekocht en naar Wenen overgebracht. Daar is het nu te bewonderen in het wereldvermaarde Kunsthistorisches Museum. In 1925 heeft de kerkfabriek aan de Weense kunstschilder Meyer de opdracht gegeven voor een kopie van het origineel ginds.

M.a.w., op zijn Antwerps gezegd: “De Rubens die hier ‘hung’ (= hing), zorgt nu voor ‘Oostenrijkse’ Schwung !”

In Wenen kan je moeilijk voorbijgaan aan het Kunsthistorisches Museum. Dat dankt zijn roem in grote mate aan de Vlaamse schilderkunst. De religieuze werken van van Dyck en van Rubens zijn ‘Antwerps’, meer bepaald zelfs van deze plek.

Deze voormalige jezuïetenkerk (1621) met haar tientallen Rubensen vormde in de eerste honderd jaar van haar bestaan de voornaamste toeristische bezienswaardigheid van Antwerpen. Maar dan kwam het grote drama: de blikseminslag die in 1718 de 39 plafondschilderijen in de vlammen deed opgaan. Gelukkig bleven de overige Rubensen, de altaarstukken, gespaard, beschermd als die zijn door de stenen apsisconcha’s.

Toch zijn ook deze niet meer ter plekke door een tweede drama dat ditmaal te wijten is aan de mens en zijn politiek spel. Omdat de jezuïetenorde zo progressief is, komt ze einde 18de eeuw onder zware politieke druk te staan, niet enkel in de koloniale machten van Zuid-Amerika, Spanje en Portugal, maar ook in het Habsburgse keizerrijk onder Oostenrijks bestuur. In 1773 heft de paus zijn meest getrouwe orde op. De overheid legt beslag op alle jezuïetengoederen en verkoopt ze openbaar.

De mirakelen van Ignatius de Loyola
De mirakelen van Franciscus Xaverius

Keizerin Maria-Theresia eist het recht van eerste aankoop op en kiest voor haar kunstgalerij – wat had je gedacht – de beste schilderijen uit. Die verhuizen dan ook stante pede naar Wenen; de prijs van het succes. Naast het altaarstuk in de Mariakapel, De tenhemelopneming van Maria, hebben we het over de twee doeken van P.P. Rubens voor het hoofdaltaar: De mirakelen van Sint-Ignatius en De mirakelen van Sint-Franciscus Xaverius. Die maken nu de glorie uit van het Kunsthistorisches Museum te Wenen. Hun herinnering wordt hier enkel nog opgeroepen door oude, kleurloze kopergravures.

Wenen herbergt nog ander origineel werk van onze grootmeester dat verband houdt met deze kerk, zoals zijn ontwerptekening voor de plafondreliëfs van de Mariakapel (in de Albertina).

Het huidige interieur is slechts een afschaduwing van de luister van voor die fatale brand. Dat deze kerk echt pittoresk was, moge blijken uit de talrijke 17de-eeuwse interieurzichten. Het Kunsthistorisches Museum bezit twee kerkinterieurs: een van Antonius Gheringh (1668), die Maria-Theresia in 1776 heeft aangekocht, en één van Sebastiaan Vranckx (1619-1668), die nog niet betaald is …

En er is nog meer Antwerpse jezuïetenkunst – onterecht – in Wenen beland. Recht tegenover de kerk staat het sodaliteitsgebouw, dat bestond uit een beneden- en een bovenkapel. Deze waren geheel opgetrokken en ingericht door de sodaliteiten, godsdienstige verenigingen voor mannen die een uitgesproken devotie voor Maria hebben.

De Boodschap aan Maria

In de benedenkapel hing De Boodschap op het altaar, van de hand van Rubens, zelf ook lid van de gelijknamige Mariavereniging. In de bovenkapel hingen twee werken van Antoon van Dyck, eveneens lid van een van de Mariasodaliteiten. Op het altaar Maria met Kind en de heilige Rosalia en tegen de wand ernaast Het mystiek huwelijk van de  gelukzalige Herman-Jozef. Aartshertog Leopold Willem van Oostenrijk, hier op bezoek, vindt het zo mooi dat hij bereid zou zijn om het bij wijze van aankoopprijs volledig met gouden dukaten te bedekken.

Al hadden de sodaliteiten een apart statuut, los van de orde, ze vielen mee onder de maatregelen van de confiscatie en zodoende werden hun goederen onrechtmatig aangeslagen. Ook hier liet de keizerin haar privilegie gelden en koos zij de beste werken uit: zeg maar, de drie genoemde. Ook deze werken worden in 1778 naar Wenen gevoerd en behoren nu tot het Kunsthistorisches Museum.

Na de afschaffing van de jezuïetenorde in 1773 installeert keizerin Maria-Theresia in deze residentie een militaire academie. Dat verklaart waarom tijdens de laatste weken van de strijd met Frankrijk, de kerk in 1794 dienst doet als krijgsgasthuis voor de Oostenrijkers.

Al bij al een pijnlijke geschiedenis die de betrekkingen met Oostenrijk blijft kleuren. En zeggen dat er andere tijden geweest zijn waarin deze jezuïetenresidentie kon rekenen op de tastbare sympathie van het Oostenrijkse vorstenhuis in de vorm van een jaarlijkse rente op Hongaarse goederen.